Hedendaagse professional is netwerker met een visie

Hoe krijg je zoveel mogelijk mensen in een kwetsbare positie duurzaam aan het werk? Dat is de grote vraag bij ‘De Route van School naar Werk’. Hans Bosselaar, docent en onderzoeker aan de Vrije Universiteit, deed onderzoek naar moderne professionals die daar meer dan gemiddeld in slagen. Wie zijn deze mensen en wat is hun geheim? Zijn bevindingen gebruikt hij nu om stagebegeleiders en -coördinatoren binnen het project te coachen.

Lees verder

‘De ontdekking van de Dinges, Kampioen van het hedendaagse netwerken’, zo luidt de volledige titel van Bosselaars publicatie. Het is een handreiking voor iedereen die opereert in netwerken (of dat zou moeten). De zogeheten Dinges is de persoon – of misschien zelfs wel het hele traject, zoals hij zelf zegt – die de leerlingen uit het Praktijkonderwijs en Voorgezet Speciaal Onderwijs met de werkgever verbindt.

Waarom de naam ‘Dinges’?
Bosselaar stuitte in zijn onderzoek op een professional die door zijn collega’s vol bewondering ‘onze Dinges’ werd genoemd. Wat hij precies deed en hoe hij zaken voor elkaar kreeg, snapten zijn collega’s ook niet altijd. Maar het werkte wel, vandaar ‘onze Dinges’. Een term die Bosselaar inmiddels als geuzennaam gebruikt voor de hedendaagse professional.

Netwerksamenleving

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: De kern van het geheim van de Dinges is dat zij veel energie steekt in het ontwikkelen en behouden van netwerken, stelt Bosselaar. “We zijn een netwerksamenleving geworden. Vroeger waren mensen lid van een vakbond of een kerk en konden ze daar terecht. Maar nu verhouden we  ons tot elkaar via verschillende netwerken. Als je als stagebegeleider of -coördinator verantwoordelijk bent voor de overgang van school naar werk, moet je heel veel netwerken aan elkaar kunnen plakken. Dan kom je een heel eind.”

Volgens Bosselaar moet de Dinges in dit geval netwerken buiten en binnen de school hebben. Dus er moet niet alleen contact zijn met werkgevers, maar ook met de leraren en ouders van het kind en eventueel met Jeugdzorg als die betrokken is. “Het netwerk moet passend zijn, het moet een doel dienen”, zegt hij. “Dus moet je goed nadenken over je netwerk. Als je al vijf jaar naar een regionaal overleg gaat dat niks oplevert, moet je ook afscheid durven nemen. Een goede Dinges kan dat.”

Maar alleen het hebben van een netwerk is niet voldoende, benadrukt Bosselaar. Je moet het vooral ook goed onderhouden. “Op sommige scholen zeggen ze: ‘We hebben een hele lijst van bedrijven waar we een beroep op kunnen doen’. Maar als je doorvraagt, blijkt dat vaak alleen een lijst met telefoonnummers te zijn; van echt contact is helemaal geen sprake. De Dinges is voortdurend bezig met haar netwerken. Ze gaat bijvoorbeeld niet alleen langs bij bedrijven waar een stagiaire zit, maar ook bij bedrijven die op dat moment geen stagiaire hebben, want misschien is daar over een half jaar wel weer een plek nodig. Dat betekent ook dat een echte Dinges niet steeds door de schoolleiding wordt ingezet om in te vallen voor zieke docenten of andere klussen. Ze zet al haar tijd in voor het ondersteunen van leerlingen op stage en het onderhouden en inzetten van de contacten binnen en buiten school.”

Visie en strategie

Naast dat netwerk heeft de Dinges nog iets anders nodig om succesvol te zijn, zegt Bosselaar, en dat is ‘visie’. “Dan heb ik het niet over een visie in het algemeen, maar een visie op het probleem, op elke leerling en op de sector waarin hij of zij kan gaan werken. Vanuit deze visie bepaalt de Dinges een strategie van waar zij heen wil. Je kunt allerlei netwerken met elkaar verbinden, maar als je geen visie en strategie hebt, kom je nog niet uit waar je wil uitkomen.”

Dat wil nog niet zeggen dat de Dinges altijd bereikt waar zij op uit is. Dat komt volgens Bosselaar doordat de oplossing in samenwerking met anderen moet worden gerealiseerd. “Anderen die ook een eigen visie en belang hebben bij de oplossing. Maar het gaat erom dat je jouw doel kunt verbinden aan het doel van die ander, dat je op zoek gaat naar de overlap. Een Dinges weet waar zij heen wil, maar niet waar zij uitkomt.”

Affiniteit met verhaal

De groep voor wie ‘De Route van School naar Werk’ bedoeld is, is volgens de onderzoeker best ingewikkeld. “In de wereld van deze leerlingen moet nog heel veel worden uitgezocht. Ze hebben allemaal hun eigen uitdagingen en verhaal. Je moet dus weten welke werkgevers bij dat verhaal passen en daar ook affiniteit mee hebben.” Werkgevers die ervoor openstaan, hebben vaak nog wel vragen en zorgen. Bosselaar denkt dat je die kunt wegnemen door nog een keertje extra langs te gaan, door het verhaal van de jongere goed over het voetlicht te brengen en door bijvoorbeeld de gemeente erbij te betrekken.

“Wat deze groep jongeren ook complex maakt, is dat ze nog erg in ontwikkeling zijn en niet allemaal een erg positief zelfbeeld hebben. Het mbo heeft al weinig waardering in Nederland, maar deze groep bungelt daar in de beeldvorming nog onder. Dus alleen al het feit dat ze praktijk- of speciaal onderwijs volgen, draagt niet bij aan hun eigenwaarde. En ze ervaren het zelf ook dat ze bepaalde dingen niet kunnen. Sommigen kunnen echt niet goed rekenen. Wat je ook doet, het lukt ze gewoon niet. Die tegenslagen zijn niet goed voor hun zelfbeeld.”

Bosselaar vervolgt: “Dat betekent dus dat de stagebegeleider of -coördinator heel veel tijd en aandacht moet steken in het kennen van deze jongeren. Niet alleen als leerling, maar ook als potentiële werknemer. De verbindingen die de Dinges buiten school aangaat met de werkgever, moet zij daarom binnen school ook aangaan met de docent biologie of de docent rekenen. Die zijn vaak vooral bezig met de schoolse ontwikkeling van de leerling en missen daardoor het deel waar het bij die stagebegeleider of -coördinator juist om gaat. Dus je moet als Dinges ook een soort zendingswerk doen binnen school.“

Bosselaar ziet dat er op veel scholen inmiddels al meer aandacht is voor het combineren van het schoolse met de toekomst. Vaak beginnen ze daar ook al eerder mee. “De stage is maar een stukje van het verhaal. Mensen die ik heb gesproken zeggen dat je eigenlijk al in het eerste schooljaar een stukje van die toekomst op de arbeidsmarkt in je achterhoofd moet hebben. De jongeren kunnen dan bijvoorbeeld al leren hoe je iemand aanspreekt of hoe je een goede discussie voert zonder boos te worden, want dat moet je later met je collega’s of baas ook kunnen.”

 

Tot op zekere hoogte is het best te leren, want aan kennis, ervaring en competenties kun je werken. Maar de één is er wel meer voor in de wieg gelegd dan de ander.

Ondersteuning op maat

Die route naar werk is eigenlijk een heel traject met ondersteuning op maat en gericht op de ontwikkeling van de jongere, aldus Bosselaar. “Dat vraagt om inlevingsvermogen, flexibiliteit, creativiteit en kennis van mogelijkheden en regelingen. De Dinges moet die competenties allemaal paraat hebben.”

Al met al wordt er dus best veel van de Dinges gevraagd. Kan iedereen nu een Dinges zijn? Bosselaar: “Tot op zekere hoogte is dat best te leren, want aan kennis, ervaring en competenties kun je werken. Maar de één is er wel meer voor in de wieg gelegd dan de ander.”

Op een aantal scholen werken stagebegeleiders en -coördinatoren volgens Bosselaar al als een Dinges. Met zijn onderzoek hoopt hij ook anderen te overtuigen van deze werkwijze en ze te inspireren die ook in hun eigen werk toe te passen. Met als uiteindelijk resultaat: duurzame uitstroom van de jongeren door optimale samenwerking met de verschillende partijen.

Wil jij weten of je het in je hebt om een Dinges te zijn, doe dan de competentiescan.

Meer weten over de Dinges? Lees De ontdekking van de Dinges of bekijk DOE DE DINGES! Gids voor de route-van-school-naar-werk professional in het VSO en PrO

Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan